Bernard Mandeville M.D.
DOKTER, PSYCHIATER en onovertroffen DOORDENKER
Genealogische aantekeningen

Genealogische aantekeningen 

I. Ouders: Michael de Mandeville X Judith Verhaar.

Michael de Mandeville (1639-1699) werd op 26 september 1639 in Nijmegen geboren en daar op 29 september gedoopt. Hij trouwde op 28 juli 1667 met Judith Verhaar (1642-1688). Hun huwelijk werd in Beek bij Nijmegen gesloten. Judith Verhaar werd in Schoonhoven geboren en groeide daar ook op. Haar geboortedatum is 12 december 1642 en haar doopdatum 27 december 1642. Het echtpaar Mandeville-Verhaar vestigde zich in Rotterdam.

De Mandeville was praktiserend arts, stadsgeneesheer, gasthuismeester, luitenant van de schutterij in Rotterdam en schepen van Schieland. Vermoedelijk als nasleep van zijn rol en die van zijn zoon bij het zgn. Costermanoproer werd hij in 1693 uit Rotterdam verbannen. Hij verhuisde daarop naar Amsterdam, waar overigens zijn zuster Maria en broer Johan al woonden. Daar overleed hij op 24 november 1699. Hun dochter Petronella Clementia (1684-1774), het zusje van Bernard Mandeville, trouwde op 19 november 1709 (in Oosterbeek) met Jan van Laer (1683-1762) uit Zwolle, waarheen zij dan ook verhuisde. Net als zijn vader Willem van Laer werd Jan later burgemeester van Zwolle.

II.1. Grootouders van vaderskant: Emmanuel de Mandeville X Petronella van Riemsdijk.

Emmanuel (Immanuel) de Mandeville (26 februari 1611–19 oktober 1660), geboren in Nijmegen en daar overleden, stadsgeneesheer en professor in Nijmegen, trouwde op 9 december 1635 in Grave met Petronella (Pieternella) van Riemsdijk (Rijmsdijck) (17 maart 1611 - 27 april 1675), geboren in Grave en overleden te Rotterdam. Zij was een dochter van Wouter van Riemsdijk, burgemeester van Grave, en Elisabeth van Erp. Een broer van Emmanuel, David de Mandeville (geb. 1615), gehuwd met Anna de Quay, was in 1643 arts in Grave (Rogstraat 30).

Over Emmanuel de Mandeville: zie Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek (NNBW), deel I, blz. 1298.

Ze kregen 12 kinderen. De kinderen die niet jong overleden, waren: (2e kind) Wolter (1637-1662), ook genaamd Gualtherus, arts en professor, zie ook NNBW I, blz. 1298; (3e) Michael (1639-1699), de vader van Bernard Mandeville; (6e) Julius (1643-1694), luitenant en ondermajoor van Hulst; (8e) Maria (1646-1703);(10e) Elizabeth (1648-1724, de tante bij wie Petronella de Mandeville in Arnhem woonde en (11e) Johan (1650-1702), opperchirurgijn bij de V.O.C.

Wat Julius de Mandeville betreft nog het volgende. Behalve Barent Verhaer en zijn zoon Dirck (zie hierna) was ook Bernard Mandevilles oom Julius de Mandeville actief in het Rampjaar 1672 en tijdens het verdere verloop van de Hollandse Oorlog of Frans-Nederlandse Oorlog (1672-1679). Rond 1675 lag hij met zijn compagnie uit Hulst ingekwartierd in Den Bosch ter verdediging van de zgn. Oude Hollandse Waterlinie. Wat de familierelaties betreft, Bernard Mandevilles vader Michael, die op 3 april 1688 zijn vrouw Judith ten grave had gedragen, was op 9 april 1688 in Hulst getuige bij de doop van Petronella, dochter van Julius de Mandeville en zijn echtgenote Susanna Verdoel.

II.2. Grootouders van moederskant: Barent Verhaer X Clementia Jans Hamsaerde.

Barent Verhaer (ook: Verhaar) (doopdatum 4 april 1609 - na 1689, waarschijnlijk voor 1692) werd geboren in Zaltbommel en gedoopt als Bernt. Hij was ‘kapitein op een oorlogsschip op de binnenstromen, in ‘s lands dienst onder het Collegie ter Admiraliteijt‘ te Rotterdam. Het schip was een ’uitlegger’, een wachtschip met kanonnen. Op 12 februari 1639 ging hij, officieel woonachtig in Rotterdam, in Amsterdam in ondertrouw met Maijnsge Jans Hamseerden (1619/1620- na 1684). Zij ondertekent dan zelf met Menschit Jans Hamsarda. Menschit is een vleivorm van Menske. Hamsarda betekent ‘van Hamsard’. Hamsard is ‘Hamseerden’, waarmee bedoeld wordt Hamsweerden of Hamswerd (zie kaart), thans Hamswehrum bij Emden (Oostfriesland). In de archieven komt haar naam ook voor als Clementia Jans Hamsaerde, Meinsje(n) Jans, Meynsge, Meintje van Hamsaarde of Hamsard. Zij woonde officieel in Stavoren. De vader van Meinsje was Jan Atis. Hij was vermoedelijk een Friese schipper of marinecollega van de Verhaers. (De grotere schepen van het gewest Friesland waren toen geplaatst onder de admiraliteit van Rotterdam.) Ten tijde van de ondertrouw in Amsterdam verbleef hij op de Brouwersgracht.

Barent en Meinsje trouwden in Stavoren of Rotterdam. In 1640 verbleven zij in Amsterdam, waar hun oudste dochter Maria werd geboren en op 2 februari 1640 werd gedoopt, waarbij zijn zuster ‘Judit Verhaer in plaats van Captyn Commandeur Duijmaff’, zijn vader, als getuige optrad. Daarna woonden zij in Rotterdam in de Houttuijn, en vanaf 1642 (in 1672 aan de ‘Westzijde van de Haven’), in Schoonhoven, waar Verhaar later ook burgemeester was. Zijn vrouw was in 1684 als Mensia Hamsarde getuige bij de doop van Petronella Clementia, het zusje van Bernard Mandeville. Hun kinderen waren Maria (1640- na 1700?; zie hierna), Judith (1642-1688); Alette (1646-1671); Johannis (1648-?; schepen in Schoonhoven in 1690), Dirck (1650-1672; over zijn dood, zie hierna) en mogelijk nog een dochter die met een Middelbeeck trouwde. (Eén van de getuigen bij de doop van zoon Johannis was overigens Johan van Riemsdijk uit Grave, ’der convoyen en licenten in de Grave’, die Barent Verhaer al in 1639 en mogelijk veel eerder kende. Deze Johan van Riemsdijk was een broer van Bernard Mandevilles grootmoeder Petronella (Pieternella) van Riemsdijk.

N.B. Via Barent Verhaar is Bernard Mandeville verwant aan bekende Geneefs-Italiaanse families die oorspronkelijk uit Lucca kwamen: Diodati, Burlamacchi enz. en ook aan Daniel en Jean Le Clerc. [Uitvoeriger in Mensen spreken om niet begrepen te worden, noot 165. Het daar genoemde archief van Benjamin Burlamachi bevond zich op de zolder van het Elizabeths Gasthuis in Haarlem en is bij besluit van G.S. van Noord-Holland van 16-01-1907 overgedragen aan het GA Amsterdam.

Maria Verhaar trouwde in 1662 met dominee Paulus Leupenius (Leupen, Lupenius) (1636-1679), die in Leiden gestudeerd had onder de professoren Coccejus en Hoornbeek en vanaf 1661 dominee in Cuyk was. Hij was de oudste zoon van Petrus Leupenius (Leupen; Lupenius) (1607-1670), dominee en grammaticus, schrijver van o.a. Aanmerkingen op de Neederduitsche Taale (1653).  Maria Verhaar hertrouwde op 23 november 1687 te Beugen met Anthony Verspreet, ‘lantschrijver en vendumeester van het Land van Cuijk.

De dood van Dirk Verhaer in 1672 en het optreden van zijn vader Barent Verhaer zijn door Arnoldus Montanus (predikant te Schoonhoven, die Verhaer, ook woonachtig in Schoonhoven, persoonlijk moet hebben gekend), beschreven in Leven en bedrijf van Willem Henrik (1677), blz. 409-417; Bladwijzer D. De tekst volgt hier.

"[409] Margetekst: 20 juli 1672: [De Franse maarschalk] Turenne voor Bommel, belegerd, opgeëist. Onder menigte tenten lagen ze op de uiterwaarden, wanneer omtrent avond een trompetter de stad opeist en gevolmachtigden tot dadiging [onderhandeling met de vijand tot capitulatie]. Stadsvoogd Van Leeuwen, magistraat, krijgs- en burgerbevelhebbers gaven ten antwoord: Zij hadden geen genegenheid iemand naar het Franse leger af te schikken; waren bezig met tegenweer. De Roomsgezinde edellieden Benting en Barreveld lieten zich vinden bij die de trompetter uitleiden; verzochten ingelaten; hadden voor te staan tot dienst der stad. 't Werd toegestaan.

[410] Margetekst: Vreemde handel met Aspremont. De ondergraaf Asprement voegde zich bij dit gezelschap; eiste uit Turennes naam Bommel op. Hij ontving manhaftig antwoord. Men had geen gedachten tot overgave; maar wel het uiterste af te wachten. Hierop toont Aspremont een kaart waarin Bommels sterkten en gebrekkelijkheden der zelve naar het leven afgemaald stonden: het gebrek aan stormpalen en palissaden, ondiepe grachten, schaarsheid van bezetting en oorlogsbehoeften, vermolmde rolpaarden. Was het geen tijd, sprak hij, zulk een plaats over te geven? Deze redenen maakte hij zo lang tot een trompetter hem spoedig afhaalde.

Margetekst: Trouweloosheid der Roomsgezinden Naderhand is uitgelekt, hoe Pausgezinden door een heimelijkheid in de muur bij het Oranje-bolwerk, nu en dan des nachts gekropen, alle toestand overbriefden.

[411] Margetekst: Heldendaad van hopman Barend Verhaer. Het geschut der stad, zeer onbruikbaar, kon niet bereiken ‘s vijands leger op de uiterwaard van Gameren onder tenten neergeslagen. Weshalve de overheid aan hopman [kapitein] Barend Verhaer, met zijn uitlegger, kort boven Bommel voor anker, verzocht de Fransen tussen Haaften en Gameren te beschieten. Twintig burgers stapten tegelijk scheep met handbussen en haken van het raadhuis. Zo gewis trof Verhaer, dat tenten over hoop stoven, mannen en paarden verminkt of dood neerploften. Tweemaal had hij nu de laag gegeven, wanneer voor de derde reis klaar, de kardoezen door gestopt buspoeder op de overloop in brand vlogen, en onder dikke smook twee matrozen nevens de onder-hopman [luitenant] Dirk Verhaer buiten boord. Een der bootsgezellen kreeg de sloep. Verhaer, ijselijk gezengd na lang gezwommen, werd tegen krijgsgebruik dood geschoten. Buiten dusdanig ongeluk en het vertrek van Stoop, door zijn matrozen gedwongen van de Kluit onder Bommel met de uitlegger af te zakken, vinniger neep had het Franse leger gevoeld. Doch hopman Verhaer, zelf gevaarlijk gebrand, had nauwelijks zo veel gezonden, die het schip stadwaarts vaarden, tussen duizend en duizend kogels. Op het aanlanden liepen vrouwen en kinderen naar de wal. Ieder mocht naar de zijne zien, of gekwetst of dood lagen. Zulk tieren baarde zodanige wanorde, dat niet weinigen haar standplaats verlieten.[Bladwijzer, D. vermeldt: Dirk Verhaer tegen krijgsgebruik doodgeschoten]

[Blz. 411-16] Margeteksten: 21 juli 1672. Brief van Turenne. Franse adel wil stormen. Onderhandeling met een Franse kolonel. Redenen tot overgave van Bommel. Gevolmachtigden aan Turenne, haar vreemd wedervaren. Reden van Turenne; antwoord op de zelve. Weder antwoord van Turenne. Loze wapenkreet voor Bommel; storm op de stad, hoe gestuit. Bedingpunten voor Bommel. 22 juli 1672.[laatste punt van de voorwaarden, waaronder de overgave plaats vond] De stadsvoogd en bezetting in zes schepen met slaande trommen en vliegende vanen naar Gorkum bijgeleid.

[416] Margetekst:  Barend Verhaer, zijn moeite met het bootsvolk.Terwijl deze onderhandeling duurde, liepen de matrozen van de uitlegger weg. Zij wilden niet meer het leven, of arm en benen verliezen. Het land was verloren. Hopman Barend Verhaer kon in het verdrag niet ingesloten. Zo verbitterd was Turenne. Want die dag stond hem op veel gekwetsten en doden, onder welke nevens andere aanzienlijke personages Cloddere den hop werd afgeschoten, bereeds geschikt tot het stadsvoogdschap van Bommel. Verhaer dan voerde de bootsgezellen tegemoet. Wat hebt gijlieden te verwachten, als een schrikkelijke dood? Is het ongemeen noodweer, waarom niet van de nood een deugd gemaakt? Beter te vergaan op het water, dan onder de handen van ongenadige beulen. En nu God kan uitkomst geven.

Margetekst: Ontkomt met zijn uitlegger door duizend gevaar: verwoedheid der Fransen jegens hem De redenen gelden, zij stapten binnen boord. Genoodzaakt wegens de ondiepten dicht onder de wal van het Franse leger uit te laveren. Dit gaf uit haken en vuurroeren vinnig vuur. Ontelbare kogels doornaaiden schip en zeilen. Even buiten het heir wegens dikke duister aan grond geraakt; doch bij wassend water weer vlot, en eindelijk voor Gorinchem. Belangende der Franse verwoedheid had hopman Verhaer geen ongegronde gissing. Want Adam Stang, geheel verzengd aan land gebleven, zou levend aan stukken gekapt zijn, indien niet sommige burgers getuigden dat een der bezettelingen [militair van het Bommels garnizoen] was."

III.1. Overgrootouders van vaderskant: Michael de Mandeville X Maria van den Rade.

Michael de Mandeville (1576 - 4 oktober 1635), waarschijnlijk geboren in Leeuwarden, bezocht de middelbare school in Leeuwarden. Hij werd in 1595 als student medicijnen ingeschreven aan de universiteit van Franeker en studeerde af in 1597.  Zijn dissertatie is vermeld in Paul Valkema Blouw. Typographia Batava 1541-1600. In ordinem digressit A.C. Schuytvlot. Repertorium van boeken gedrukt in Nederland tussen 1541 en 1600. A repertorium of books printed in the Northern Netherlands between 1541 and 1600. (1998), deel 2, blz. 511: 1597. Mandewijl, Michael. Theses logicae de duabus accidentium categoriis primis.

In 1598 schreef hij zelf zijn naam als 'Michael Mandewijl'.

In 1600 trouwde hij (bij de ondertrouw in Leeuwarden als Michael Manderwyll vermeld) in Franeker met Maria van den Rade (10 juli 1577- 5 juli 1636), geboren in Antwerpen of Brugge. Maria was een dochter van Gillis van den Rade (Aegidius Radaeus) en Magdalena Brouwers.

Radaeus is de bekende protestantse boekdrukker; hij verhuisde in 1569 van Gent naar Antwerpen, vandaar in 1576 naar Brugge, om in 1577 weer naar Antwerpen terug te keren. In 1586 verhuisde hij van Antwerpen naar Franeker. Aegidius Radeaus, de boekdrukker, werd op 3 juni 1592 ingeschreven in het album van de universiteit van Franeker. Hij overleed in maart 1615. Zijn zoon Aegidius werd op 25 maart 1594 als student ingeschreven. Een zuster van Maria, Anna vande Rade, trouwde met Vibrandus Revius, arts en rector in Franeker.

Michael en Maria verhuisden spoedig van Franeker naar Nijmegen, waar Michael eerst de functies van rector van de Latijnse school (een Latijnse publicatie van hem uit 1601 betreffende het reglement van deze zgn. Apostolische school te Nijmegen, gedrukt door zijn schoonvader Aegidius Radaeus, vermeldt als zijn naam Michael a Mandewylle) en van stadsgeneesheer uitoefende, vanaf 1608 alleen die van stadsgeneesheer. Pas in 1617 werden hij en zijn kinderen burgers van Nijmegen.

Hun kinderen waren: Johannes (1601-1657)**, Aegidius (1604-1636), Daniel (1617-1618), Sara (1609- voor 1617), Immanuel, de grootvader van Bernard Mandeville, Salomon (1617-1618), David (1615- na 1643), Anna (1617-na 1643), Salomon (1620-voor 1673) en Michael (1622-?).

** N.B. Johannes de Mandeville studeerde in Cambridge (Gonville and Caius College): "Mandeville, John a; son of Michael a Mandeville, M.D., of the republic of Nijmegen. Born in Leeuward[en], Friesland. At school in Nijmegen, under Mr James Verheyda [Jacobus Verheyden], six years. Age 16. Admitted scholar, May 27, 1616, under Mr Oliver Naylor. B.A. 1619-1620." In 1623 ingeschreven als student theologie in Leiden. Van Aegidius (Gillis), zoon van Johannes de Mandeville, stammen de Dutch-American Mandevilles af.

Michael de Mandeville was vanaf 1621 schepen van Nijmegen tot hij overleed tengevolge van de pestepidemie. Hij was remonstrantsgezind en bevriend met de vooraanstaande remonstrantse predikanten Godefridus Paludanus, die in 1617 getuige bij de doop van zijn dochter Anna was, en Joannes Narsius te Grave. Het genoemde schoolreglement bevat een gedicht van 16 regels in het Latijn Apostrophe ad urbem Noviomagensem, een toespraak op de stad Nijmegen. Over Michael de Mandeville: zie NNBW, I, 1298.

Broers van Michael de Mandeville zijn Bernardus (geb. 1578) en Nicolaas de Mandeville. Ook zij bezochten de Latijnse school in Leeuwarden en studeerden in Franeker. Hun achternaam varieert van Manderwyll tot Manderwijl, Mandevylle, Mandewyl en Manderwyl. In 1598 schreef Bernardus zelf zijn achternaam als 'Mandevijl'.

De Naamlijst Advocaten van het Hof van Friesland vermeldt Bernardus in 1601 als Dr. Mandevil, Bernardus (Mandewyl). Op 18 januari 1603 wordt hij benoemd tot rector van (de Latijnse school te) Grave. De overeenkomst tussen Grave en de rector geeft aan dat er wederzijds een opzegtermijn van drie maanden geldt. De beloning bestaat uit 300 gulden per jaar: 175 gulden per jaar als tractement, te betalen eenvierde per kwartaal; 10 gulden per jaar voor huishuur; 15 gulden per jaar voor 3 malder rogge; en 100 gulden per jaar, zijnde de helft van het schoolgeld van de scholieren. Daarbovenop komt nog het geld dat de rector eventueel van Zijne Excellentie (d.w.z. prins Maurits) kan lospeuteren, en waarvoor de stadsbestuurderen ‘hem gerne behulpelyck willen wesen’.

In september 1609 wordt hij aangesteld als dominee in Nederasselt en Balgoij (gelegen tegenover Grave), maar hij wordt in 1610 niet toegelaten tot de pastorie aldaar. Maar in 1609 wordt hij ook benoemd als predikant van de drie Friese dorpen Gauw, Goënga en Offingawier, en deze functie oefende hij uit tot zijn dood op 3 oktober 1649. Begraven in Goënga.

Nicolaas heeft in Leeuwarden op ’t Vliet gewoond. Hij studeerde rechten. Mogelijk is hij de Nicolaus Johannisz die op 7 mei 1708 werd benoemd tot notaris te Leeuwarden. Van zijn hand is Proverbia Salomonis carmine expressa, Arnhem, 1619. Het gedicht kan zijn geschreven ter gelegenheid van de bevestiging in 1619 van de Friese predikant Hiëronymus Honerbringa (Hoenerbringius) als predikant in Arnhem en kan verband houden met de uitkomsten van de Dordtse synode. Honerbringa stond verzoenend tussen de remonstranten en de calvinisten.

Twee Latijnse gedichten (uit 1624) bevinden zich in het archief van Tresoar in Leeuwarden, namelijk Fortunata Venus, een huwelijksgedicht voor Henricus van Rhala (1591-1640; zie NNBW, X, 806) en Anna van Duerkop, en Exequiis maxumi viri D. Ioannis Henrici a Rhala, een lijkdicht op Joannes Henricus van Rhala, de vader van Henricus. In 1646 schreef hij een lijkdicht op Jacobus Oenema, grietman van Oostellingwerf, opgenomen in Frisia Nobilis, of Lijk- en Grafsambt Mengeldigten op diverse Friesche edelen enz. (1755), blz. 170. Hij stierf in of voor 1656. Zijn nalatenschap valt ten deel aan kinderen van wijlen Brechte Hanses en aan Foeck Hanses, dochters van een Johannes, die een zoon van Bernardus zou kunnen zijn.

III.2. Overgrootouders van moederskant: III.2.1. Dirck Willems Verhaar, genaamd Duymaff (1568-1641) X (1e) Maria Aerts (? - 1628); X (2e) Catharina van der Ameyden.

‘Duymaff’ (niet de eerste of enige met deze naam) was kapitein en ‘commandeur over de schepen van oorloghe gelegen in Maes en Waal’ bij de Admiraliteit van Rotterdam en woonde waarschijnlijk eerst in Zaltbommel, en vanaf 1617 meestal in Rotterdam, maar ook nog op de schans van Voorne.

In 1597 was hij mede-beramer van de (mislukte) aanslag op Venlo. Omdat het niet ging om een resultaat- maar om een inspanningsovereenkomst, werd bij Resolutie van de Staten Generaal op 23 juli 1597 bepaald om aan o.a. Duymaff de gemaakte kosten te vergoeden, hem extra te belonen met duizend gulden, een extra maandelijkse toelage van twaalf gulden toe te kennen, plus een zo spoedig mogelijke bevordering tot kapitein, alles volgens hetgeen bij contract beloofd was.

Hij werd de commandant op de Maas. ‘De stad Grave verzocht op 31 maart 1606 aan prins Maurits of het schip van oorlog, gevoerd door kapitein Duymaff, tot convooi tussen deze stad en de schans Voorne mocht dienen, teneinde de doortocht van vijandelijke schepen te beletten, en een tol te heffen van alle opwaarts en nederwaarts voorbij zeilende schepen, waarop prins Maurits beloofde, bij de Admiraliteit te zullen bewerken, dat ten spoedigste aan dit verzoek zou worden voldaan’. In 1628 was hij kapitein op een ’uitlegger’, met 6 kanonnen, 40 bemanningsleden en van 40 lasten. Hij bleef actief in dienst tot zijn overlijden in 1641 (graf nr. 240 in de Groote- of Sint Laurenskerk in Rotterdam).

Hun kinderen waren Anthonie (ook kapitein bij de Admiraliteit, in 1625 wonend in Zaltbommel, in 1628 kapitein van de ‘Papegeij’), Ryckert (geb. 1601, voorlezer, vertrokken met het jacht ‘Delfshaven’ naar Oost-Indië in 1630; leefde nog in 1651), Judith (trouwde eerst met Anthonie Schick, kamerbewaarder bij de Admiraliteit; daarna met Anthonie Braesem; als weduwe van hem vertrok ze naar Alkmaar), Catharina (Zaltbommel, 28 september 1607-1650; trouwde in 1641 met Johannes Cromstrijen - geb. 1604 - uit Zierikzee, later burgemeester van Alkmaar), Barent (geboren in Zaltbommel en daar op 4 april 1609 als ‘Bernt’ gedoopt; grootvader van Bernard Mandeville), Christina (als Corstijntgen gedoopt op 9 juli 1611 in Zaltbommel, overleden in 1677; trouwde met Nicolaes de Vries, luitenant op een binnenschip van admiraal Tromp, die in 1643 door de Admiraliteit als kapitein werd benoemd in plaats van de overleden Duymaff) en Aert (woonde in Amsterdam).

Zijn vrouw kwam vermoedelijk uit Delwijnen/Kerkwijk (Bommelerwaard). Zij overleed in 1628 en Duymaff hertrouwde in 1632 met Catharina van der Ameyden. 

III.2.2. Jan Atis X N.N.

De waarschijnlijk Friese ouders van Meinsje Jans Hamsarda, de echtgenote van Barent Verhaer, woonachtig in Stavoren.

IV. Betovergrootouders stamlijn vader: Jan (Joannes) de Mandeville X Anna Tyepcke

Mandevilles betovergrootvader van vaderskant moet een Jan /Joannes uit Mandewijlle c.q. Mandville zijn. Zijn betovergrootmoeder was Anna Tyepcke. Hij overleed voor juli 1593. Zie verder Mandeville in de Nederlanden, van Zuid naar Noord.

 

> Familiebijbel

> Attestatie van ondertrouw (Marriage licence allegation) en testament/ probatum

> Mandeville, van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden